bochel

Thesaurus

bochel:

heuvelbuil, bult,
Vertalingen

bochel

Buckel, Höckerbump, humpbosse, bossu/-ue, bossuaccidentalità, ammaccatura, gobba (ˈbɔxəl)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
dikke, ronde plek op de rug een gebochelde man