blok

Thesaurus

blok:

huizenblokhakblok, speelgoedblok,
Vertalingen

blok

Klotz, Bezirk, Block, Gau, Holzscheit, Kanton, Kreis, Kubus, Scheit, Würfel, Baumstamm, Wohnblockblock, cube, pad, pulley, chunkofwood, bar, cake, swot, logbloc, cube, bûche, cartel, poulie, brique, pâté de maisons, rondinbloque, manzana, troncoparanco, blocco, isolato, troncoجُزْءٌ مِنْ سَاقِ الشّجَرَةِ, كُتْلَة, مُجْمُوعَةُ البِنَايَاتblok, polenobjælke, blokκούτσουρο, οικοδομικό τετράγωνο, στερεό τεμάχιοkortteli, lohko, tukkiblok, cjepanicaブロック, 丸太, 塊덩어리, 벽돌, 통나무blokk, kloss, tømmerstokkblok, bryła, klocbloco, quarteirão, troncoблок, бревно, кварталkloss, kvarter, loggbokช่วงตึก, ชิ้นหรือของหรือวัสดุที่เป็นของแข็ง, ท่อนซุงblok, tomrukkhối, khu nhà, khúc gỗ, 原木, 街区блок (blɔk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -ken
1. stuk hout of ander materiaal met blokken spelen blokken hout voor de open haard een blok chocola
iemand tot last zijn
2. aantal aan elkaar gebouwde huizen De brievenbus is een blok verder.
3. iemand geen keuze laten