blind

Thesaurus
Vertalingen

blind

blind, blindlingsblindaveugle, aveuglément, volet, à l'aveuglette, en aveugle, aveugle (à)ciegociecoأَعْمَىslepýblindτυφλόςsokeaslijep目の見えない눈 먼blindślepycegoслепойblindตาบอดkör盲目的עיוור (blɪnt)
bijvoeglijk naamwoord
1. die met de ogen niets kan zien door ouderdom blind worden
iets niet willen zien of begrijpen blind zijn voor de gevolgen van je daden
2. zonder openingen Een blinde muur heeft geen ramen.