blik

Thesaurus

blik:

opbergblikconservenblik, oogopslag,
Vertalingen

blik

(blɪk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -ken
1. (verpakkings)materiaal van metaal een koektrommel van blik
2. voorwerp van blik om voedsel in te bewaren een blikje soep blikgroenten
3. gereedschap om vuil weg te nemen de kruimels met stoffer en blik opvegen

blik

Blick, Dose, Blech, Einblick, Einsicht, Schaufel, Schüppe, Kehrschaufelcan, look, tin, sheetmetal, shovel, tincan, tinplate, cast, dustpanregard, pelle, fer-blanc, vue, aspect, fer‐blanc, spectacle, tôle, boîte (en fer-blanc), coup d'oeil, pelle à poussière, cannette, conservehojalata, bote, lata, mirada, recogedorجَارُوفٌ لِلكُنَاسَة, عُلْبَة, نَظْرَةٌlopatka na smetí, plechovka, pohledblik, dåse, fejebladκουτάκι, κουτί κονσέρβας, ματιά, φαράσιkatse, rikkalapio, tölkkilimenka, lopatica za smeće, pogledbarattolo, lattina, occhiata, paletta per la spazzaturaちり取り, 目つき, 缶깡통, 보기, 쓰레받기blikk, boks, søppelbrettpuszka, śmietniczka, spojrzenielata, olhar, pá de lixo, pá do lixoвзгляд, консервная банка, олово, совок для мусораblick, burk, konservburk, sopskyffelกระป๋อง, การมอง, ที่โกยผงbakış, faraş, kutu, tenekebình đựng, cái hốt rác, cái nhìn, lon畚箕, , , 罐头 (blɪk)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -ken
keer dat of manier waarop je kijkt je blik over het landschap laten gaan boze blikken
oppervlakkig bekijken
doen alsof iemand er niet is