biscuit

Thesaurus

biscuit:

koekbiscuitje, koekje,
Vertalingen

biscuit

Biskuit, Bisquit, Zwieback, Keksbiscuit, cookiebiscuitبَسْكَوِيتsušenkakiksμπισκότοgalletakeksikeksbiscottoビスケット비스킷kjeksherbatnikbolachaпеченьеkexขนมปังกรอบbisküvibánh quy饼干бисквити餅乾 (bɪsˈkwi)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
droog, bros koekje een biscuitje bij de koffie