bijten

Vertalingen

bijten

beißen, kauenbite, corrodemordre, brûler, donner un coup de dent (à), piquermorderщипать, кусатьيَعَضُّkousnoutbideδαγκώνωpurragristimordereかむ물다bitepogryźćmorderbitaกัดısırmakcắn (ˈbɛitə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd beet , voltooid deelwoord heeft gebeten
1. met je tanden vastgrijpen op je nagels bijten De hond heeft de buurjongen gebeten.
dat of die er erg lekker uitziet billen om in te bijten
dat kan naast elkaar bestaan of gebruikt worden Je kunt deze geneesmiddelen allebei gebruiken. Dat bijt elkaar niet.
2. scheikunde (van chemische stoffen) schade of pijn veroorzaken bijtende vloeistoffen