bij


Zoekopdrachten gerelateerd aan bij: hommel, wesp
Thesaurus
Vertalingen

bij

(bɛi)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
insect dat honing maakt en met zijn angel kan steken

bij

(bɛi)
bijvoeglijk naamwoord
1. bij bewustzijn nog niet bij zijn van de operatie
2. slim Dat kind is behoorlijk bij.
3. op het punt waar je moet zijn Na hard werken was ik eindelijk bij.

bij

Biene, an, bei, in, nach, neben, zubee, at, by, beside, to, toward, towards, with, near, nearby, nearto, nextto, belong, honeybee, next, uponà, abeille, chez, en, par, sur, avec, au bord de, parmi, près de, tous près de, vers, (au)près de, à jour, à la page, conscient, en cas de, presque, à/au (à+le)/aux (à+les), abeille à miel, envers, pourμέλισσα, σεabeja, aпчела, уpresso, a, apeعِنْد, نَحْلَةv, včelabi, vedmehiläinenkod, pčela・・・に, ハチ...에서, 벌bie, vedprzy, pszczołaabelha, embi, påที่, ผึ้งarı, de, dacon ong, tại, 蜜蜂 (bɛi)
voorzetsel
1. in de buurt/aanwezigheid van Scheveningen ligt bij Den Haag. bij het licht van de maan je boeken niet bij je hebben bij een vriendin logeren
2. toegevoegd aan mayonaise bij de frites
3. zijn mening niet veranderen
toevallig
heel soms
een tuin van twintig meter lengte en tien meter breedte