bezoek

Thesaurus

bezoek:

visite
Vertalingen

bezoek

Besuch, Visitevisit, visitor, visitorsvisite, visiteursvisita, visitasزِيارَةnávštěvabesøgεπίσκεψηvierailuposjetvisita訪問방문besøkwizytavisita, visiteпосещениеbesökการไปเยี่ยมziyaretthăm viếng访问בקר (bəˈzuk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
1. de keer dat je iemand bezoekt een bezoek afleggen/brengen aan een oude vriend op bezoek gaan bij opa en oma bezoekuur
2. de mensen die bezoeken Het bezoek is gearriveerd.