beurt

Thesaurus

beurt:

spelletjeonderhoudsbeurt, rondje,
Vertalingen

beurt

Kette, Reihe, Reihenfolge, Tourturn, file, line, rank, row, movetour, rangée, file, ranga su vez (børt)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
keer dat je iets doet of dat je iets ondergaat
aangewezen worden iets te doen

het huis goed schoonmaken
iets moeten of mogen doen of ondergaan

nu de een, dan de ander