beet

(doorverwezen van beten)
Vertalingen

beet

Bißbitemorsure, bouchée, morceau, piqûre, coup (bet)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud beten
1. keer dat je bijt een beet uit een reep chocola
een vis aan je haak hebben
2. wond door bijten de beet van een hond kwallenbeet