besturen

Thesaurus

besturen:

gezaghebbenleidinggeven, regeren,
Vertalingen

besturen

administrieren, beherrschen, dirigieren, führen, haushalten, herrschen, leiten, lotsen, regieren, richten, steuern, verwalten, wirtschaftensteer, administer, direct, govern, guide, manage, conduct, control, headup, keephouse, lead, pilot, restrain, rule, driveadministrer, conduire, diriger, gouverner, piloter, aboutir, mener, régner, surveiller, gérer, manoeuvrer, guider, manier, régir, volerκυβερνώdirigere, regolare (bəˈstyrə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd bestuurde , voltooid deelwoord heeft bestuurd
1. een voertuig laten rijden en in een bepaalde richting laten gaan een vrachtwagen besturen
2. leiding geven aan iets een gemeente besturen