bestek

Thesaurus

bestek:

eetgereicouvert,
Vertalingen

bestek

Ausdehnung, Bereich, Dimension, Fassung, Gedeck, Gehalt, Gelaß, Raum, Service, Umfang, Besteckbulk, dimension, extend, room, size, space, forks, knivesandspoons, reckoning, specifications, silver, cutlery, flatwarecouvert, ampleur, espace, taille, grandeur, importance, devis, couvertsespacio, cubiertoscamera, spazio, posateسَكاكِيـن و مَلاَعِق وشَوْكاتpříborbestikμαχαιροπίρουναruokailuvälineetpribor za jelo食卓用ナイフ・フォーク・スプーン類칼붙이bestikksztućcetalher, talheresстоловые приборыbestickมีด ช้อนและส้อมçatal, bıçak, kaşıkdao thìa dĩa餐具 (bəˈstɛk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -ken
1. lepels, vorken en messen om mee te eten het zilveren bestek van grootmoeder wegwerpbestek
2. uitgebreide technische beschrijving van hoe je iets gaat bouwen een huis volgens bestek bouwen
beknopt