benoemen

Vertalingen

benoemen

benennen, ernennen, heißen, nennenappoint, call, nominate, namenommer, désigner, appeler, commettre, créercreare, produrrenombrarnomearتعيينδιορίζειназначаваלמנות임명แต่งตั้ง (bəˈnumə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd benoemde , voltooid deelwoord heeft benoemd
1. een naam geven alle zinsdelen benoemen
2. een bepaalde officiële functie geven iemand tot hoogleraar benoemen