bellen

Thesaurus

bellen:

opbellen
Vertalingen

bellen

ring, call, phonesonner, téléphoner, téléphoner (à), appelerklingeln, anbellen, anrufentocar el timbre, llamar, telefonearيَتَّصِلُ بِ...هاتِفِيّاً, يَتَصِّلُ بِهَاتِفٍvolat, zatelefonovatringe, ringe tilκαλώ, τηλεφωνώsoittaanazvati, telefoniratichiamare, telefonare・・・に電話をする, 電話をかける…에게 전화를 걸다, 전화하다ringedzwonić, zatelefonowaćtelefonarговорить по телефону, звонить по телефонуringaโทร, โทรหาaramak, telefon etmekgọi điện, gọi điện thoại打电话שיחה (ˈbɛlə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd belde , voltooid deelwoord heeft gebeld
1. iemand per telefoon bereiken bellen met een collega een arts bellen bellen naar het buitenland
2. met een bel een signaal geven, vooral om te laten weten dat je voor de deur staat 3 x bellen Er wordt gebeld.