belasten

(doorverwezen van belastte)
Thesaurus

belasten:

opdragenbevelen, verordonneren,
Vertalingen

belasten

belasten, aufladen, beauftragen, beladen, ladenburden, tax, load, charge, strainimposer, charger (de), taxer (de), taxer, s’efforcertaxar, pressionaraddossare, aggravio, sforzareيُجْهِدُ, الضرائبpřepínatlægge pres på, skatκαταπονώtensarrasittaa, veronaprezati se緊張させる, 税긴장시키다, 세금belastenapiąćрастягиватьanstränga sig, skattทำงานหนักเกินไป, ภาษีstrese sokmaklàm căng thẳng使超过负荷данъкמס (bəˈlɑstə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd belastte , voltooid deelwoord heeft belast
1. iets dat vervoerd moet worden leggen in of op de auto te zwaar belasten
2. financieel iemand belasting laten betalen Deze goederen zijn belast met negentien procent btw.