bekleden

Vertalingen

bekleden

ankleiden, anziehen, bekleiden, besetzen, beziehen, einnehmen, in Anspruch nehmen, kleiden, überziehenclothe, occupy, cover, dress, overlay, take, drape, upholsteroccuper, recouvrir, revêtir, tapisser, habiller, vêtir, (re)couvrir, exercer, investir qn de, lambrisser (bəˈkledə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd bekleedde , voltooid deelwoord heeft bekleed
1. bedekken met een stof een stoel bekleden
2. een functie of een ambt hebben een belangrijke bestuursfunctie bekleden