bekken

Thesaurus

bekken:

muilenheupgewricht, waterbekken,
Vertalingen

bekken

Becken, Schale, Zimbelbasin, pelvis, bowl, cymbal, cymbalsbassin, bol, cymbale, vasque, cymbalespalangana, pelvis, platillosbacino, palla, scodella, cembaliالْـحَوْضُ, صُنُوجčinely, pánevbækken, bækkenerκύμβαλα, λεκάνηlantio, lautasetcimbal, pelvisシンバル, 骨盤골반, 심벌즈bekken, symbalercymbały, miednicacímbalo, pélvisтаз, тарелкиbäcken, cymbalerกระดูกเชิงกราน, ฉิ่งleğen kemiği, zilchũm chọe, khung xương chậu, 骨盆 (ˈbɛkə(n))
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -s
1. anatomie deel van het skelet tussen je heupen Ze heeft bij een val haar bekken gebroken.
2. muziek slaginstrument van twee metalen schijven die tegen elkaar slaan een drumstel, compleet met twee bekkens