beker

Thesaurus
Vertalingen

beker

Becher, Kelch, Pokal, Tassechalice, goblet, beaker, mugcoupe, gobeletΚρατήρcalicekubekЧашаカップถ้วย (ˈbekər)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
1. hoge, smalle kop zonder oor om uit te drinken een beker melk
2. soort vaas in de vorm van een beker die je wint bij een wedstrijd bekerfinale