bek

Thesaurus

bek:

mond
Vertalingen

bek

Schnabel, Maul, Rachen, Schlundbeak, bill, maw, mouth, muzzle, jawsbec, bouche, gueule, embouchure, gouffre, museau, bobineceffo, muso (bɛk)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -ken
1. mond van een dier De vos hield een kip in zijn bek.
2. mond van een mens
wees stil
laat ik daar maar niet over praten
vallen
een stomme fout maken die anderen kunnen zien