bedienen

Vertalingen

bedienen

bedienen, dienenadministerthelastsacraments, control, operate, serve, work, await, waitservir, manier, s'occuper de, commanderviaticar (bəˈdinə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd bediende , voltooid deelwoord heeft bediend
1. (iemand) helpen in een winkel, restaurant, enz. de klanten vlot bedienen
zelf aardappels op je bord scheppen
2. zorgen dat iets werkt, bijv. een machine een eenvoudig te bedienen dvd-recorder
3. religie de laatste sacramenten geven De stervende wil bediend worden door een priester.