bediende

Thesaurus

bediende:

obergastvrouw, serveerster, kelnerin, knecht, dienstknecht, boerenknecht,
Vertalingen

bediende

Büroangestellte, Bursche, Diener, Gehilfe, Handlungsgehilfe, Kommis, Ladengehilfe, Dienstboteclerk, servant, boydomestique, serviteur, garçon, commis, employé/-ée, serveuse, valetfunzionario, domesticoخَادِمsluhatjenerυπηρέτηςcriadopalvelijasluga使用人하인tjenersłużącycriadoслугаtjänareคนรับใช้hizmetçingười hầu仆人 (bəˈdində)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
1. iemand die voor anderen eenvoudig werk doet de jongste bediende winkelbediende
2. werknemer die geen arbeider is algemeen bediende bij de kanselarij