bank

Thesaurus

bank:

bankgebouwhandelsbank, canap,
Vertalingen

bank

Bank, Arbeitsbock, Gestell, Staffel, Staffelei, Werkstuhl, Sofabank, bench, easel, workbench, sandbank, tressle, bed, thrift, couchbanque, banc, canapé, établi, banquette, basse, couche, duchesse, litτράπεζα, καναπές, πάγκοςcadiera, banco, sofábanca, riva, sponda, divano, panchinaبَنْك, مَضْجَع, نَضَدbanka, lavice, pohovkabænk, bank, sofapankki, penkki, sohvabanka, kauč, klupaカウチソファー, ベンチ, 銀行벤치, 소파, 은행bank, benk, divanbank, kanapa, ławkabanco, sofáбанк, диван, скамьяbank, bänk, soffaเก้าอี้ยาว, ธนาคาร, ม้านั่งbank, banka, kanepeghế dài, ghế trường kỷ, ngân hàng银行, 长椅子, 长沙发банка銀行 (bɑŋk)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
1. zitmeubel voor meer dan één persoon lekker op de bank zitten kerkbank
2. financieel bedrijf dat in geld handelt een rekening openen bij een bank bankrekening
kantoor waar je geld kunt lenen in ruil voor een kostbaar voorwerp als onderpand