bang

Thesaurus

bang:

schrikachtigontsteld, verschrikt, vreesachtig,
Vertalingen

bang

bang, besorgt, feige, unruhig, zaghaft, fürchten (sich), verängstigtafraid, anxious, timid, agitated, alarming, grave, serious, frightened, scaredinquiet, peureux, timide, agité, angoissant, boum!, inquiet/inquiète, peureux/-euse, froussard, effrayépaura, impaurito, spaventato, timorosoخائِف, مَرْعُوبvylekaný, vystrašenýbange, skræmtτρομαγμένος, φοβισμένοςasustado, temerosopelästynyt, peloissaanprestrašen, uplašen・・・が怖い, おびえた, 怖がった...을 두려워하여, 겁먹은redd, skremtprzestraszonyassustado, com medoиспуганный, напуганныйrädd, skrämdกลัว, ที่น่ากลัว, รู้สึกตกใจkorkmuşsợ, sợ hãi受惊的, 害怕, 害怕的 (bɑŋ)
bijvoeglijk naamwoord
wat je voelt als je denkt dat er iets heel naars gaat gebeuren bang zijn voor honden
erg bang
helemaal niet bang
iemand die heel erg bang is