band

Vertalingen

band

(bɑnt)
m
1. transport rubberen ring met lucht erin rond een wiel een lekke band de band oppompen een band plakken
2. langwerpige strook van een bepaalde stof een leren band isolatieband plakband
alle controle over zichzelf verliezen, gek doen
iemand of iets beperken in macht of uitwerking
dat gebeurt steeds opnieuw
3. magnetische kunststof strook waarop beeld of geluid kan worden vastgelegd iets op de band zetten/opnemen de band afdraaien de band terugspoelen
4. dat wat verbindt een hechte/nauwe/vaste band banden aanknopen/smeden een band verbreken de band aanhalen
dat maakt dat mensen vertrouwelijker met elkaar omgaan

band

Band, Binde, Einband, Grat, Kante, Orchester, Pneumatik, Rand, Reifen, Saum, Streifen, Verband, Girlande, Autoreifen, Bindungtyre, band, bond, binding, brim, orchestra, tire, braid, brink, cover, edge, edging, fillet, fringe, ligament, rim, string, strip, stripe, tape, tie, cushion, ribbonlien, ruban, bande, orchestre, bandeau, raie, rayure, groupe, pneu, bord, lisière, reliure, volume, laisse, frein, réunion, sangle, chaînefettuccia, gruppo, legame, ruotaإِطَارُ العَجَلَة, عَلَاقَة, فِرْقَة موسِيقِيَّةpneumatika, pouto, skupinaband, bånd, dækλάστιχο, συγκρότημα, σύνδεσμοςbanda, conjunto, neumático, vínculobändi, rengas, sidegrupa, guma, vezaタイヤ, バンド, 縛るもの묶는 것, 음악단, 타이어band, bånd, dekkopona, więź, zespółbanda, conexão, elo de ligação, pneuмузыкальная группа, связь, шинаband, däckข้อผูกมัด, ยางรถ, วงดนตรีbağlayıcı, lastik, orkestraban nhạc, lốp xe, sự gắn kết, giao kèo结合, 轮胎, 重唱团, (bɛnt)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
groep mensen die lichte muziek maakt een jazzband