balanceren

Thesaurus

balanceren:

uitbalancerenuitlijnen,
Vertalingen

balanceren

balanzieren, schaukeln, balancierenrock, swing, balance, poisebalancer, mettre en équilibre, se balancer, se tenir en équilibredondolare, masso, roccia (balɑnˈserə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd balanceerde , voltooid deelwoord heeft gebalanceerd
proberen in evenwicht te blijven op het randje balanceren