bak

Thesaurus

bak:

kattenbakkattebak,
Vertalingen

bak

Behälter, Besteck, Bottich, Bütte, Fähre, Jux, Kasten, Kiste, Krug, Mulde, Prahm, Scherz, Spaß, Trog, Truhe, Wanne, Zisterne, Zober, Zuberbox, container, ferry, manger, trough, tub, vat, vessel, chest, cistern, gag, joke, jug, tank, jointbac, auge, cuve, badinage, baquet, bassine, caisse, citerne, coffre, blague, taule, bloc, boîte, récipientbromarecipiente, vascello (bɑk)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -ken
1. voorwerp om iets in te bewaren en dat van boven open is spijkers in een bak
een beurt, kans krijgen
een volle theaterzaal
met grote hoeveelheden tegelijk
in een grote auto rijden
2. mop wat een goeie bak!
3. gevangenis
naar de gevangenis gaan