babbelen

Vertalingen

babbelen

plaudern, schwatzenchat, chatterbabiller, bavarder, cancaner, jacasser, jaser, papoterchiacchierare, farneticare (ˈbabələ(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd babbelde , voltooid deelwoord heeft gebabbeld
veel kletsen voor je plezier gezellig zitten te babbelen