baas

Thesaurus

baas:

leidinggevendechef,
Vertalingen

baas

(bas) mannelijk meervoud bazen

bazin

Boss, Befehlshaber, Chef, Häupling, Haupt, Herr, Oberhaupt, Vorsteher, Wirt, Baasboss, chief, leader, master, superiorchef, maître, patron, patron/-onne, singejefecapo, imprenditoreزَعيمšéfchefαφεντικόpomošefボス우두머리sjefszefchefe, Bossруководительchefเจ้านายpatronông chủ上司, 老板老闆הבוס (baˈzɪn) vrouwelijk meervoud -nen
zelfstandig naamwoord
1. iemand die de leiding heeft er kan er maar één de baas zijn
iets beter kunnen dan de ander
doen alsof je de leider bent
2. eigenaar de baas van de winkel de baas van het hondje