assistent

Thesaurus
Vertalingen

assistent

(ɑsisˈtɛnt)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud

assistente

Assistent, Adjunkt, Dienstgehilfe, Gehilfeassistant, aid, helper, assistentadjoint, assistant/-ante, second, assistantaiutare, assistenteمُسَاعِدasistentassistentβοηθόςayudante, asistenteavustajapomoćnik助手조수assistentasystentassistenteпомощникassistentผู้ช่วยyardımcıtrợ lý助手, 助理Помощник助理 (-e)
zelfstandig naamwoord vrouwelijk meervoud -s
iemand die een ander helpt bij het werk tandartsassistente doktersassistente
student die helpt bij wetenschappelijk onderzoek of onderwijs