| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.769.628.596 Bezoekers. |
|
arm |
0,02 sec. |
|
arm1 zn m arm (-en mv) [ɑrm] 1 lichaamsdeel vanaf je schouder tot en met je hand bovenarm linkerarm rechterarm onderarm iemand in je armen nemen/sluiten Geef me maar een arm, dan val je niet. de arm om iemands schouder slaan 2 zijstuk de armen van een kandelaar de arm van een rivier iemand met open armen ontvangen iemand hartelijk ontvangen arm in arm lopen gearmd lopen met de armen over elkaar zitten met de armen gekruist voor de borst zitten met de armen over elkaar zitten niets doen iemand in de arm nemen de hulp van iemand vragen arm2 bn arm [ɑrm]
1 als je weinig van iets bezit, vooral geld; rijk arme landen arm aan eiwitten 2 zielig Hou op met plagen en laat dat arme kind met rust! een illusie armer zijn ergens in teleurgesteld zijn zo arm als Job erg arm straatarm erg arm Vertalingen arm arm arm bras, malheureux, pauvre arm chudý, paže arm arm, fattig arm käsivarsi, köyhä arm ruka, siromašan arm 腕, 貧しい arm 가난한, 팔 arm arm, fattig arm แขน, ยากจน arm cánh tay, nghèo Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|