arm

Vertalingen

arm

(ɑrm)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. anatomie lichaamsdeel vanaf je schouder tot en met je hand bovenarm linkerarm rechterarm onderarm iemand in je armen nemen/sluiten Geef me maar een arm, dan val je niet. de arm om iemands schouder slaan
iemand hartelijk ontvangen
gearmd lopen
met de armen gekruist voor de borst zitten
niets doen
de hulp van iemand vragen
2. zijstuk de armen van een kandelaar de arm van een rivier

arm

armarm, poor, crank, miserable, branchbras, pauvre, malheureuxbrazo, pobrebraccio, poveroذِرَاع, فَقِيرchudý, pažearm, fattigβραχίονας, φτωχόςkäsivarsi, köyhäruka, siromašan腕, 貧しい가난한, 팔arm, fattigbiedny, ramiępobre, braçoрука, бедныйarm, fattigแขน, ยากจนkol, yoksulcánh tay, nghèo, 贫穷的 (ɑrm)
bijvoeglijk naamwoord
1. rijk als je weinig van iets bezit, vooral geld arme landen arm aan eiwitten
ergens in teleurgesteld zijn
erg arm
erg arm
2. zielig Hou op met plagen en laat dat arme kind met rust!