appel


Zoekopdrachten gerelateerd aan appel: banaan, sinaasappel
Thesaurus

appel:

naamafroeping
Vertalingen

appel

(ˈɑpəl)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en, -s
culinair ronde, harde, zoetzure vrucht met een klokhuis waarin donkere pitjes zitten rodekool met appeltjes
kinderen hebben vaak hetzelfde karakter als hun ouders
iets als reserve voor moeilijke tijden bewaren
heel goedkoop
iets vervelends verdragen
verschillende dingen met elkaar vergelijken terwijl dat eigenlijk niet kan

appel

Apfel, Appellation, Berufung, Namensaufrufapple, appeal, roll callpomme, recours, rappel, rapport, appelμήλο, προσκλητήριοmanzana, listamela, appelloeple, oppropmaçã, chamadaяблоко, перекличкаتَفَّاحَة, تَفَقُّدُ الـحُضُورjablko, vyvolávání jmenæble, navneopråbnimenhuuto, omenajabuka, prozivanjeリンゴ, 点呼사과, 점호jabłko, sprawdzanie obecnościäpple, uppropแอปเปิ้ล, การขานชื่อelma, yoklamađiểm danh, quả táo苹果, 点名蘋果 (ɑˈpɛl)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud juridisch
1. beroep
vragen of iemand iets wil doen
iets met moeite herinneren
juridisch bij een hogere rechtbank melden dat je het niet eens bent met een uitspraak van een lagere rechtbank
2. bijeenkomst om te zien of iedereen er is
iedereen bij elkaar roepen