angel

Thesaurus

angel:

gifangelweerhaak, vishaak,
Vertalingen

angel

Angelhaken, Stachel, Stichwundesting, hook, fishhookhameçon, piquant, dard, piqûreanzuelo, aguijónلَدْغَةžihadlobrodκεντρίpistoubodpuntura刺し傷stikkżądłoferrão, picada, anjoукус (насекомого)stingแผลถูกแมลงกัดต่อยiğnevết đốt刺痛, 天使天使Ангелמלאך (ˈɑŋəl)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
orgaan waarmee o.a. bijen en wespen kunnen steken de angel er met een pincet uithalen
het conflict minder heftig maken