alweer

Vertalingen

alweer

abermalig, abermals, von neuem, wieder, wiederholt, zurückagain, afresh, alloveragain, anew, oncemorede nouveau, encoreсноваمرة أخرىשובZnovuotra vez (ɑlˈwer)
bijwoord
1. nog een keer alweer met vuile kleren thuiskomen
2. <om te zeggen dat je verbaasd bent dat het zo snel gaat> Ben je nu alweer terug? Het is alweer december!