allemaal

Thesaurus

allemaal:

iedereenallen,
Vertalingen

allemaal

alles, alleall, everything, altogethertout, tout le monde, tout/tous/toutesogni cosa, tutto, tuttiكُلّvšechnoalleόλοςtodokaikkisvi全部모두fullstendigwszystkotodosвсеallทุกคนhepsitất cả大家всички (ˈɑləmal)
voornaamwoord
1. alles of allen, iedereen De kinderen moeten allemaal tegelijk beginnen. je boeken allemaal weggeven
2. (bijna) niets anders dan Allemaal vliegen op mijn bord! Er ligt allemaal rommel op straat.