agent

Thesaurus

agent:

smerisjuut, tuut,
Vertalingen

agent

Agent, Geschäftsbesorger, Häscher, Polizist, Schutzmann, Vertreteragent, policemanagent, agent de police, policier, agent (agent femme) de police, représentant/-anteагентagenteوَكِيلagentagentπράκτοραςagenteagenttiagent代理人대리인agentagentagenteombudตัวแทนtemsilcingười trung gian代理商, 代理агент代理סוכן (aˈxɛnt)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. iemand die bij de politie werkt wijkagent
2. iemand die dingen regelt voor een ander literair agent
3. spion