afzetten tegen

Vertalingen

afzetten tegen

(ˈɑfsɛtə(n) texə(n))
werkwoord wederkerend
enkelvoud onvoltooid verleden tijd zette zich af tegen , voltooid deelwoord heeft zich afgezet tegen
1. in verzet komen tegen (iets of iemand) je afzetten tegen de opvattingen van je ouders
2. je tegen iets aanduwen en in beweging komen De kinderstoel schuift makkelijk weg als het kind zich afzet tegen de tafel.