afzetten

Thesaurus
Vertalingen

afzetten

abnehmen, abschneiden, abstellen, amputieren, besetzen, einfassen, entthronen, garnieren, verzieren, zurücklegen, ausbeutenamputate, deposit, garnish, trim, amputation, depose, deprive, dismiss, fitout, putoff, shutoff, stop, switchoff, takeoff, turnoff, rip offamputer, enlever, garnir, déposer, destituer, clôturer, débarquer, escroquer (qc. à qn.), ôter, prendre appel, retirer, se jeter, truander, éteindre, étriller, matraquer, assassiner, révoquer, casser, écouler, placer, plumer, arnaquerακρωτηριάζω, χρεώνω ληστρικάamputare, derubareيَسْرِقُošiditflåestafar, timarveloittaa liikaaoguliti do gole kože法外な値をふっかける사기치다svindlezedrzećenganar, roubarобсчитыватьskörta uppคิดราคามากเกินไปkazıklamaktính giá quá đắt敲...竹杠 (ˈɑfsɛtə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd zette af , voltooid deelwoord heeft afgezet
1. (iemand op een plaats) brengen en zelf verdergaan Ik zal je bij de bushalte afzetten.
2. aanzetten niet meer laten werken de televisie afzetten als er reclame komt
3. (een lichaamsdeel) van het lichaam halen een been afzetten na een ongeluk
4. opzetten van je hoofd afdoen je bril afzetten
5. (iemand) te veel laten betalen De koopman was heel charmant, maar ik ben wel afgezet.
6. (een bepaalde plaats) onbereikbaar maken een stuk snelweg afzetten omdat er olie op de weg ligt
7. (iemand) uit zijn functie zetten een president afzetten
8. verkopen Nederlandse kaas afzetten in het buitenland