afwegen

Vertalingen

afwegen

abwägen, wägen, wiegenweigh, measureoutpeser, calculerpesare (ˈɑfwegə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd woog af , voltooid deelwoord heeft afgewogen
1. kijken hoe zwaar iets is vier tomaten afwegen op een weegschaal
2. erover nadenken wat het beste is de voor- en nadelen tegen elkaar afwegen afwegen of je wel of niet verder onderzoek zult doen afwegen wat de risico's zijn