afwachten

Thesaurus

afwachten:

bewakerswachten,
Vertalingen

afwachten

wait, abide, await, bide, stayfor, waitforattendre (le bon moment), temporiseraspettare (ˈɑfwɑxtə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd wachtte af , voltooid deelwoord heeft afgewacht
op iets wachten of wachten tot iets gebeurt We wachten op het ontmoetingspunt je komst af. afwachten of iets een succes wordt