aftrekken

Thesaurus

aftrekken:

stokendistilleren,
Vertalingen

aftrekken

abziehen, subtrahieren, ablassen, abrechnen, aufgießen, infundieren, nachlassen, Rabatt geben, ziehen lassensubtract, infuse, rebate, retreat, countdown, discount, marchoff, withdraw, abate, pants, wank, deductsoustraire, décéder, retrancher, se retirer, branler, déduire (de), faire des soustractions, déduireodciagnać, odjąć, potrącićdedurre, falcidiare, sottrarreيَطْرَح, يَقْتَطِعُodečísttrække fraαφαιρώdeducir, restarvähentääoduzeti差し引く, 引く공제하다, 빼다trekke frasubtrairвычитатьdra av, subtraheraลบออก, ลบออกไปçıkarmaktrừ减去, 扣除изваждане (ˈɑftrɛkə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd trok af , voltooid deelwoord heeft afgetrokken
1. optellen (een getal) kleiner maken (met een ander getal) Ik moet 25 euro reiskosten aftrekken van het honorarium van 100 euro en houd dus 75 euro over. investeringen aftrekken van de winst
2. (een man) seksueel bevredigen jezelf aftrekken onder de douche