afstoten

Thesaurus

afstoten:

verwerpen
Vertalingen

afstoten

abstoßen, verdrängenknockoff, pushdown, pushoff, repel, thrustdownrepousser, pousser, rejeter, se débarrasser de, dégoûterrepellere (ˈɑfstotə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd stootte af , voltooid deelwoord heeft afgestoten
1. niet meer willen hebben personeel afstoten een bedrijfsonderdeel afstoten
2. (van het lichaam) niet als eigen lichaamsdeel accepteren Na enige tijd bleek dat zijn lichaam de kunstheup afstootte.
3. een gevoel van afkeer opwekken bij (iemand) Zijn gezicht vol littekens stoot veel mensen af, waardoor hij maar geen partner kan vinden.