afsteken

Vertalingen

afsteken

abschneidencontrast, bevel, cutoffretrancher (ˈɑfstekə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd stak af , voltooid deelwoord heeft afgestoken
1. (vuurwerk) aansteken een vuurpijl afsteken
2. uitspreken Ik ga geen verhaal afsteken over hoe mooi dat land is.
3. door een groot verschil duidelijk te zien zijn De kleur van het vliegtuig steekt mooi af tegen de dreigende lucht.