afspreken

Vertalingen

afspreken

verabreden, sich verständigen, übereinkommen, vereinbarenmeet, agree, makeanappointmentarranger, convenir (de), prendre un rendez-vous (avec), tomber d'accord (sur), concerterсогласенσυμφωνώ同意同意enigยอมรับ (ˈɑfsprekə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd sprak af , voltooid deelwoord heeft afgesproken
een afspraak maken afspreken om op een terrasje iets te gaan drinken met je ouders afspreken dat je vanavond om elf uur thuis bent