| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.783.913.486 Bezoekers. |
|
afspreken |
0,02 sec. |
|
afspreken ww afspreken (sprak af enk ovt; heeft afgesproken volt deelw) [ˈɑfsprekə(n)] een afspraak maken;= overeenkomen
afspreken om op een terrasje iets te gaan drinken met je ouders afspreken dat je vanavond om elf uur thuis bent Vertalingen afspreken sich verständigen, übereinkommen, verabreden, vereinbaren afspreken arranger, convenir (de), prendre un rendez-vous (avec), tomber d'accord (sur), concerter Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|