afsluiten voor

Vertalingen

afsluiten voor

(ˈɑfslœytə(n) vor)
werkwoord wederkerend
enkelvoud onvoltooid verleden tijd sloot zich af voor , voltooid deelwoord heeft zich afgesloten voor
zich openstellen voor niet tot jezelf toelaten zich afsluiten voor omgevingslawaai zich afsluiten voor contacten met anderen