afsluiten

Vertalingen

afsluiten

beenden, beendigen, beschließen, einen Vertrag schließen, enden, endigen, erledigen, hindern, saldieren, schließen, sperren, verschließen, versperren, zuschließen, stilllegen, trennenbar, obstruct, terminate, accomodate, end, fenceoff, finish, lock, makeacontract, strikeabalance, disconnect, shut downbarrer, fermer, contracter, terminer, cesser, fermer à clé, finir, s'engager, clôturer, conclure, condamner, bloquer, oblitérer, boucher, déconnectercerrar, desconectarconcludere, sbarrare, verga, chiudere, sconnettereيَفْصِلُ, يَقْفِلُodpojit, zavřítafbryde, lukke nedαποσυνδέω, σταματώ τη λειτουργίαirrottaa toisistaan, lakkauttaaisključiti, zatvoriti接続を断つ, 閉鎖する분리하다, 폐업하다koble ut, kople utrozłączyć, zamknąćdesconectar, desligar, encerrarзакрывать(ся), разъединятьavbryta, lägga nerตัดขาดจากกัน, ปิดถาวรkapatmak, kesilmekđóng cửa, ngắt ra停业, 脱开, 关闭關閉 (ˈɑfslœytə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd sloot af , voltooid deelwoord heeft afgesloten
1. zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan een jampot luchtdicht afsluiten een weg afsluiten een gebouw afsluiten
2. techniek zorgen dat iets niet meer werkt een computerprogramma afsluiten de stroom afsluiten
3. officieel regelen een hypotheek afsluiten
4. een einde maken aan het zomerseizoen afsluiten met vuurwerk