afrekenen op

Vertalingen

afrekenen op

(ˈɑfrekənə(n) ɔp)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd rekende af op , voltooid deelwoord heeft afgerekend op
(iemand of een instantie) beoordelen op (iets), ook met de gedachte aan de financiële gevolgen van de beoordeling iemand afrekenen op zijn prestaties Zorgverzekeraars willen de verzorgingshuizen afrekenen op resultaat.