afnemen

Thesaurus
Vertalingen

afnemen

abräumen, entziehen, ermäßigen, fortnehmen, kaufen, sichkaufen, wegnehmen, vermindern (sich)decline, abate, decrease, diminish, wane, abstract, buy, clearaway, drop, fall, removethecloth, settle, takeawaydiminuer, acheter, acquérir, ôter, retrancher, s'abaisser, s'abattre, s'amoindrir, enlever (de), prendre, raccourcir, couper, décliner, décroître, fondre, perdre, prélever, retirer, s'affaiblir, se calmer, se refroidircomprar, disminuirrifiutare, calareيَتَنَاقَصُsnížitaftageμειώνωvähentyäsmanjiti減少する감소하다minskezmniejszyćdiminuirуменьшатьminskaลดลงazalmakgiảm bớt减少 (ˈɑfnemə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd nam af , voltooid deelwoord
1.
voltooid deelwoord heeft afgenomen
wegnemen of afpakken (van iemand) bloed afnemen bij een patiënt iemands eigendommen zo maar afnemen
met een doek stof weghalen
met een natte doek vuil weghalen
2.
voltooid deelwoord heeft afgenomen
tegen betaling gebruiken diensten of goederen afnemen
3.
voltooid deelwoord heeft afgenomen
(iemand iets) laten doen of laten ondervinden een interview afnemen vingerafdrukken afnemen
4.
voltooid deelwoord is afgenomen
toenemen minder worden De wind neemt af.