afmaken

Vertalingen

afmaken

beenden, beendigen, beschließen, enden, endigen, erledigenterminate, accomodate, end, finish, slateterminer, cesser, finir, abattre, achever, démolir, éreinter, tuer, massacrer完成完成dokončení (ˈɑfmakə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd maakte af , voltooid deelwoord heeft afgemaakt
1. (wat nog niet klaar is) afronden een klusje afmaken
2. doden gevaarlijke honden afmaken
3. harde kritiek leveren op (iets of iemand) Zijn nieuwste boek werd in de pers helemaal afgemaakt.