aflopen

Vertalingen

aflopen

durchgehen, durchqueren, enden, endigen, hallen, hängen, hindurchgehen, klingen, läuten, schallen, sich bücken, tönen, ausschaltenexpire, peal, stoop, cometoanend, cover, end, endup, gothrough, passthrough, ring, turn outfinir, abattre, parcourir, pencher, se terminer, sonner, tinter, expirer, prendre fin, s'incliner, descendre (de), être en pente, parcourir (la ville), s'écouler (de), user (ses souliers), courir, descendre, s’avérerdecadere, decorrere, spegnereيَنْتَهِيdopadnoutendeπροκύπτωresultar, salirsammuttaaproizaći消す되다produsereokazać sięconstatarоказыатьсяsläckaกลับกลายเป็นsöndürmekhóa ra原来是 (ˈɑflopə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd liep af , voltooid deelwoord is afgelopen
1. beginnen eindigen De huurtermijn loopt volgende maand af. Als hij zo blijft zuipen, zal het verkeerd met hem aflopen.
2. naar beneden gaan De kade loopt hier schuin af, zodat je makkelijk bij het water komt.
3. (van een wekker) afgaan Ik had de wekker wel gezet, maar hij liep niet af.