afleggen

Vertalingen

afleggen

ablassen, durchgehen, durchqueren, hindurchgehen, zurücklegenabandon, cover, gothrough, layer, passthrough, putoff, takeoff, bearparcourir, abattre, abdiquer, enlever, faire la toilette de, ôter, quitterabbandonare, lasciare (ˈɑflɛxə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd legde af , voltooid deelwoord heeft afgelegd
1. (een weg) gaan We hebben de wandelroute in een half uur afgelegd.
2. (iets) doen een verklaring afleggen een eed afleggen een examen afleggen
3. (een dode) wassen en aankleden De overledene wordt door de familie of de begrafenisondernemer afgelegd.
4. verliezen van (iets of iemand) Hij moest het afleggen tegen de dodelijke ziekte. het moeten afleggen tegen je concurrent